Tagarchief: persoonlijk

Vind je eigen stijl

‘Even kijken of ik hier naar de wc kan’, zeg ik, terwijl ik de glazen deur openduw.

Binnen moeten mijn ogen even wennen na het felle zonlicht van buiten.

Het is begin juni, maar vandaag lijkt het al zomer.

Mijn wangen gloeien en ik voel zweetdruppeltjes op mijn neus als ik mijn bril een duwtje geef.

Al snel zie ik dat links achterin de toiletten zijn.

Het wandelen langs de kust bij Bexhill-on-Sea was heerlijk. Een strakke blauwe lucht, een nog blauwere zee en weinig mensen. Maar na de lekkere koffie op het terras moet ik nu toch echt nodig.

Als ik even later opgelucht terugkom, kijk ik zoekend om me heen. Waar is mijn lief gebleven?

Mijn blik gaat scannend langs de mensen die iets verderop staan te praten. Daarachter zie ik een open ruimte met lage witte tafels en rekken. Ergens in het midden zie ik mijn lief staan.

Zodra ik bij hem ben, wijst hij al: ‘Je moet zeker even daar kijken. Ze hebben leuke kaarten.’

Kijkend naar de kaarten en boeken realiseer ik me dat ik in de winkel van het kunstcentrum sta.

De kaarten zijn inderdaad leuk. Nadat ik er een paar heb uitgekozen drentel ik nog even langs de lage tafels met boeken. Het assortiment verrast me: er liggen prachtige boeken over kunst en design.

Ineens valt mijn oog op een wit boekje met gouden letters.

‘Mm’, denk ik kritisch, ‘zeker weer zo’n boekje dat je wil laten geloven dat je in drie stappen succesvol bent.’

Ik grinnik een beetje in mezelf als ik de eerste zin lees: ‘So, you want to be Instagram famous, eh?

Humor. Dat is een goed begin.

En ja, hoor dan volgen de eerste drie stappen die je moet nemen om ‘famous’ te worden.

Stap 1: Ga naar een café.
Stap 2: Bestel een koolsalade.
Stap 3: Ga op een stoel staan en neem een foto van de koolsalade. 
Plaats de foto op Instagram en…

‘Boom’ jij en je #koolsalade zullen miljoenen volgers genereren.

Helaas slaat het volgende woord dan al je hoop de bodem in: Wrong.

Dit begin zorgt er wel voor dat ik het boekje koop.

Ik heb geen Instagram account. Ik wil helemaal niet beroemd worden en goud is niet mijn lievelingskleur, maar ik ben wel nieuwsgierig.

‘Welke tips staan er in het boekje, en wat vinden mensen er zo leuk aan om op Instagram foto’s te laten zien?’, vraag ik me af.

Lezen in het boekje stelt me niet teleur.

Het staat vol met prachtige foto’s en persoonlijke tips van mensen die vaak al lange tijd gebruik maken van Instagram

Zo leer ik weer meer over het maken van aansprekende foto’s. Leuk om te weten, want foto’s maken met mijn telefoon doe ik graag.

Eén tip spreekt me direct aan.

‘Find your own style’

Dit geldt niet alleen op Instagram, maar voor alles wat je doet.

Natuurlijk weet ik dit allang, maar daardoor wordt het niet makkelijker, vind ik.

Door alle mensen en mogelijkheden om me heen, laat ik me afleiden en luister ik niet goed naar wat ik zelf wil, of op welke manier ik iets wil.

Maar… er is hoop.

Want op deze allerlaatste #kommaarop-vraag van Agnes, Tessa en Sonja: wat was er leuk en leerzaam aan het #kommaarop’en? kan ik nu eerlijk antwoorden: dat ik beter heb geleerd om dingen op mijn eigen manier te doen én dat ik mijn stijl van schrijven heb gevonden.

De allereerste keer dat ik meeschreef aan de #kommaarop vond ik mijn eigen tekst het stomst. Wat had ik het raar opgeschreven en wat was het een saai verhaal. Dat deden de anderen beter.

Maar gaandeweg lukte het me om wat ik wilde zeggen beter in woorden te vatten. De #kommaarop werkte als een goede stok achter de deur om iedere maand met letters te goochelen en mijn mening onder woorden te brengen.

Ik durfde meer en kreeg er zelfs plezier in.

Nu weet ik beter wat ik kan op schrijfgebied én zie ik ook dat deze manier van schrijven bij mij past. Ik heb mijn stijl gevonden.

Dus dank jullie wel: Agnes en Tessa voor het ooit starten van de #kommaarop!
De tranen rollen niet over mijn wangen bij deze laatste keer, want ik weet dat ik jullie online of offline weer ga ontmoeten.

O ja, en beste lezer, ben je ook nieuwsgierig naar dit leuke boekje over Instagram?
Ik geef het graag door, dus stuur me een berichtje, dan stuur ik het naar je op.
Je kan reageren tot en met woensdag 11 oktober 2017.
Op donderdag 12 oktober heb ik de winnares bekend gemaakt.
Iedereen die meedeed aan deze win-actie heeft inmiddels bericht gehad.

‘Eigenlijk ben ik 28’

‘Karin, ik ben al zóveel toch?!’

Stéphanie, mijn au-pairkind, houdt haar vingertjes met moeite omhoog. Vier.
Ze zou het morgen al willen zijn.

‘Hoe oud bent u?’

‘Tweeëntachtig’, zegt mijn schoonmoeder.

In het antwoord van de ander klinkt bewondering: ‘Dát is een hele leeftijd.’

Ik slik en weet precies wat er nu gaat komen.

‘Ja.’

Verder pratend, struikelt mijn schoonmoeder bijna over haar woorden ‘Maar ik draai het altijd om. Dus eigenlijk ben ik 28.’

Leeftijd. Een raar fenomeen.

De enige keer dat ik er zelf meer mee bezig was, was toen ik dertig werd.

Maar dat had meer te maken met de onzekerheid die ik erbij voelde, dan door het getal.

Zou die prins op het witte paard nog wel komen, nu ik ‘al dertig’ was?

Ik ben tevreden met de leeftijd die ik nu heb bereikt.

Echt?!

Ja, echt.

Omdat ik weet dat ieder jaar een jaar ouder worden niet zo vanzelfsprekend is.

Wel merk ik dat het getal vijftig effect heeft op mijn gedachten over tijd.

Alsof dit cijfer een luikje in mijn hoofd heeft opengemaakt, waaruit wordt geroepen:

‘Joehoe, denk je hier wel even over na?!’

Ik kijk met oprechte verbazing naar het verleden en vraag me regelmatig af ‘Waar is de tijd gebleven?’

In mijn hoofd vul ik mijn eigen evaluatieformulier in: heb ik het wel besteed aan zaken die ik belangrijk vind?

Richting de toekomst werkt het ook anders. Meer dan ooit ben ik me ervan bewust dat het niet meer ‘oneindig’ is.

Waarom dacht ik dit allemaal niet toen ik negenenveertig was?

Leeftijd. Een raar fenomeen hè.

Foto: Sanah Suvarna

 

‘Was het de moeite waard?’

Church St Thomas à Becket, Fairfield
Foto: Jeroen Nijs

Het is warm.

Het fluitekruid langs de weg buigt in de wind.

Het ruikt naar mest. In de verte blaat een schaap.

We duwen tegen een hekje dat piepend opengaat.

Het is halverwege mei en we hebben vakantie. We wandelen.
Richting een kerkje dat in een weiland ligt. Midden tussen de schapen.

Het is er stil.

Het lijkt siësta-tijd in Engeland. De schapen met lammetjes liggen in het gras.

Het kerkje ligt er al eeuwen.

Een smal paadje leidt ons er naartoe.

Halverwege het pad wijken we automatisch iets uit voor een zwanenpaar dat aan de kant van een sloot zit.

Na een paar minuten staan we naast het kerkje.

Mijn lief fotografeert wat en ik mijmer. Wat een rust en stilte.

We zwijgen en genieten.

Na een tijdje lopen we het paadje weer terug.

Zorgvuldig sluiten we het hekje achter ons.

Langzaam wandelen we de weg af in de richting van de auto.

Ineens klinkt er een stem. Twee grijze dames met wandelschoenen aan komen ons tegemoet. ‘We zagen jullie bij het kerkje, was het de moeite waard?’

We huilen niet

Afscheid

‘Ik kom nu naar huis om de auto op te halen.’

Ik lees het appje van mijn lief terwijl ik net in de gang mijn schoenen heb uitgeschopt.
Langzaam dringt het tot me door dat ik mijn schoenen weer aan moet doen. Het gaat niet goed met zijn vader. We moeten erheen.

Nog geen anderhalf uur later luisteren we naar het verhaal van de verpleeghuisarts.

Hoe voorzichtig hij het ook formuleert, het is meteen duidelijk. Mijn schoonvader zal niet lang meer te leven hebben.

Na het gesprek gaan we bij hem kijken.

Hij ligt met half gesloten ogen en ademt zwaar.

We vertellen hem zachtjes dat we er zijn. Hij beweegt even, maar doet zijn ogen niet open.

Het wordt etenstijd. We besluiten in de buurt iets te gaan eten en daarna nog even bij hem te gaan kijken.

Als we hem begroeten lijkt hij ons te herkennen. Terwijl we met hem praten trekt hij het dekbed iets omhoog. Voordat we weggaan stop ik hem in.

Ik kijk om als we bij de deur staan. En zie nog net zijn kruin boven het dekbed uitkomen.

De volgende ochtend vroeg krijgen we een bericht van mijn zwager. In de nacht was mijn schoonvader onrustig, maar na wat morfine lijkt hij nu weer rustiger. We zeggen onze afspraken af en stappen in de auto.

Op de ring van Eindhoven komen we in een file. Daardoor doen we er een half uur langer over dan normaal. Als we tegen negenen bij het verpleeghuis uit de auto stappen, belt mijn zwager. Mijn schoonvader is om 8.40 uur overleden.

Op de gang komt een verpleegkundige van het team ons tegemoet. ‘Gecondoleerd’, zegt ze aangedaan. ‘U ook’, zeg ik. Ze kijkt verrast en zegt: ‘Wat fijn dat u dat zegt. Dat horen we niet zo vaak.’

Even later staan we stil naast het bed van mijn schoonvader en nemen afscheid. We huilen niet.

De dagen erna gaan snel voorbij. Ze zijn gevuld met praktische zaken. Vele vragen wachten op een antwoord. Wordt het een begrafenis of een crematie? Waar wordt die gehouden? Welke kaart wordt er gekozen? Hoeveel mensen worden er verwacht? Hoe komt de uitvaart eruit te zien? Wie zal er iets zeggen? Welke muziek past erbij?

Tussendoor eten we iets. Eigenlijk alleen omdat het nodig is.

Twee dagen later verhuizen mijn lief en ik de spullen van mijn schoonvader weer terug naar zijn ‘echte’ huis. Het is zaterdagmiddag, dus zijn er meer bezoekers dan doordeweeks. We lachen als een echtpaar in de lift grapjes maakt over de stoelen die we bij ons hebben. ‘Eindelijk kunnen we zitten in de lift’, zegt de man. Bij het naar buiten gaan wensen ze ons een fijne middag.

De uitvaart is mooi. Ik mag mijn blogpost die ik over mijn schoonvader schreef voorlezen. Ik vind het een eer. Zijn zoons vertellen allebei hun eigen verhaal. Ook een verpleegkundige van de afdeling vertelt een treffend verhaal over de laatste maanden van mijn schoonvader.

Na de dienst worden we gecondoleerd. Er worden lieve woorden gezegd over mijn schoonvader. Het is ontroerend als zijn oudere zussen zeggen dat ze de dienst mooi vonden. Mijn schoonvader was hun jongste broer.

Gisteren pakten we de gewone draad van het leven weer op. Ik gaf les over de arbeidsmarkt en het leek alsof er niets was veranderd.

Totdat ik bij het naar het toilet gaan automatisch een blik werp op onze kalender.
Bij het zien van het kruisje dat achter het woord ‘Pa’ staat, schiet ik vol.

Foto: Agnes Swart

‘Heb je kinderen?’

Een doodnormale vraag, met een eenvoudig antwoord: ja of nee.

Een vraag die we allemaal weleens stellen of die ons wordt gevraagd.

Ook ik krijg deze vraag weleens.

Het leukst vond ik de manier waarop mijn oppaskind Paul, toen drie, het vroeg. Met zijn hoofd een beetje schuin en met stralend blauwe ogen zei hij: ‘Heb je thuis ook kindjes?’

Begin twintig was ik. Ik studeerde en had als bijbaan ‘oppassen’. Voor mij een logisch vervolg van mijn jaar als au pair.

Zowel ’s avonds (handig, met mijn studie) als overdag. Vele, vele uren bracht ik op die manier door in andermans huis en met andermans kinderen.

Kinderen in alle leeftijden: van baby tot puber.

Zelf had ik ze niet. Dus mijn antwoord was ‘nee’. Als driejarige geloofde hij dit natuurlijk niet meteen. Eerst zien. Toen hij bij mijn ouders thuis, waar ik toen nog woonde, zag dat er geen kinderen waren, was het waar.

Later toen ik als docente Nederlandse les aan anderstaligen gaf, werd die vraag me heel vaak gesteld. Bij iedere nieuwe kennismaking met een groep cursisten, was er wel iemand die deze vraag stelde. Ik vond dat ook heel normaal. Niet in alle culturen wordt het als gewoon beschouwd dat je als eind twintiger, op jezelf woont en nog geen kinderen hebt. Hoe vaak ik toen niet hoorde: ‘Dat komt vast snel’.

Maar de jaren gingen voorbij en het kwam niet snel.

Dat kwam ook, omdat de beroemde prins op het witte paard mijn pad niet snel kruiste.

Van één ding was ik zeker: ik wilde die kinderen alleen als ik die prins had gevonden. Niet als ik in mijn eentje was.

Toen ik die prins vond, was ik 36. Zevenendertig toen we gingen samenwonen en 39 toen we trouwden.

De kinderen kwamen niet.

Het stellen van de vraag ging door. Logisch, als je iemand leert kennen wil je dit natuurlijk ook duidelijk hebben.

Soms op een verrassende manier. Een collega vroeg eens: ‘Hoe is het met je kinderen?’

‘Huh?!’

Ik keek haar verbaasd aan. Had ik iets gemist? Maar mijn antwoord was simpel: ‘Ik heb geen kinderen.’

Haar reactie verraste me. Ontzet sloeg ze haar hand voor haar mond: ‘O, wat erg!’

Dat voelde raar. Was het erg dat ik geen kinderen had, of bedoelde ze iets anders?

Ze bedoelde het anders. Ze vond het erg dat ze het zo had gevraagd. We hadden er nooit over gesproken, maar ze had het gewoon aangenomen. ‘Jij bent echt zo iemand met kinderen.’

Ik vatte het maar op als een compliment.

Dan zijn er nog de momenten na het stellen van de vraag. Of beter gezegd, nadat ik de vraag heb beantwoord. Ik weet inmiddels dat er dan verschillende scenario’s zijn. Iemand zegt: ‘O.’ En vervolgens blijft het even stil. Of kijkt je aan, en begint dan snel over iets anders of er komt een vervolgvraag: ‘Waarom niet?’

Natuurlijk weet ik dat het onzin is, maar toch heb ik dan altijd even het gevoel dat ik het verkeerde antwoord heb gegeven of mezelf moet verdedigen.

Vorige week werd de vraag me weer gesteld. Deze keer maakte de reactie op mijn ‘nee’ me stil.
‘O, daarom is mijn hoofd zo vol, en het jouwe niet.’

Het spookte de afgelopen dagen door mijn hoofd. Een goed antwoord op deze reactie heb ik niet. Wat ik wel weet, is dat het pijn deed. Omdat er een oordeel in zit. Het ons in een wedstrijd plaatst.

Maar wel of geen kinderen hebben is geen wedstrijd. Het is zo.

Een langzaam afscheid

Boom

Het is druk en warm in de recreatieruimte. Tussen al het gepraat door hoor ik het geluid van een koffiemachine en rinkelende kopjes.

Twee tafels verder klinkt er gelach. Mijn ogen glijden langs de lachende gezichten. Een aantal mannen en vrouwen van middelbare leeftijd lachen en kijken naar een chique dame in een paarse jurk.

Er is één persoon die niet lacht: een oudere dame zit met haar beide handen voor zich op tafel en kijkt onaangedaan in de verte. Ik volg haar blik, maar ik kan niet ontdekken waar ze naar kijkt.

Het gezelschap om haar heen lacht weer. Het lijkt niemand op te vallen dat zij niet mee lacht.

Ik kijk naar mijn schoonvader tegenover me. Ook hij kijkt naar iets in de verte. Mijn schoonmoeder praat tegen haar zoon.

Ik zeg iets tegen mijn schoonvader over een boom die aan de overkant van de straat staat. Hij richt zijn hoofd iets op en kijkt naar buiten. Maar niet naar de boom. Toch knikt hij instemmend. Langzaam glijdt zijn aandacht weer weg.

Wat zal ik nu eens vragen?

We vonden elkaar in boeken.

In een flits zie ik hem weer staan voor onze boekenkast. Verbaasd pakt hij een deel van Het Bureau van Voskuil. ‘Goh, hebben jullie dit ook?’ ‘Het is van Karin’, zegt zijn zoon.

Al snel zijn mijn schoonvader en ik in gesprek over de inhoud. Hij neemt het boek mee naar de bank en de rest van de middag ligt het op zijn been. Van tijd tot tijd bladert hij erin en leest een stukje. Jaren eerder las hij alle delen. De beschrijvingen over het reilen en zeilen op een kantoor, hij moest erom grinniken.

Nu leest hij niet meer.

Ik probeer iets anders. ‘Kijkt u nu veel tv?’
Hij kijkt me vragend aan. ‘Nee’, zegt hij langzaam.
‘Vindt u het niet leuk?’
‘Er is niets leuks’, zegt hij.
‘Wat zou u dan leuk vinden?’, vraag ik.

Ineens lichten zijn ogen iets op. ‘Als ik jou zou zien.’
We lachen. ‘Wat jammer, dat ik niet op tv ben’, zeg ik.

Mijn schoonmoeder vraagt: ‘Waarom lachen jullie?’
Mijn schoonvader begint te antwoorden, maar blijft steken bij ‘Omdat…’

Langzaam wrijft hij met zijn hand over zijn voorhoofd.
En mompelt ‘Ik weet het niet.’

Mijn schoonmoeder begint over iets anders.

Bij het weggaan zwaaien we.

Hij zwaait terug. Langzaam. Met een stuurloze arm.

Later sta ik peinzend voor onze boekenkast. Ik kijk naar de stapel die ik nog graag wil lezen. En ik realiseer me dat het gaat om nu. Niet over morgen.

*Op 7 juli 2016  is mijn schoonvader overleden.
Tijdens de uitvaart op 11 juli 2016 las ik deze tekst voor.

Fietsen met inzicht

De Donk in de Alblasserwaard

Deze zomer werk ik gewoon door. Helemaal niet erg, want onze vakantie begint zodra iedereen weer terug is. Een fijn vooruitzicht.

Ondertussen is er genoeg tijd voor leuke dingen in de avond: uit eten, een fietstochtje of even een terrasje.

En als we willen kunnen we zo een weekendje weg.

Vorige week hadden we daar ineens veel zin in. Alleen bleek het hotel waar we wilden overnachten geen kamers meer vrij te hebben in het weekend.

Tja, wat nu? Een ander hotel?

Ach nee, laten we dan twee dagen eerder gaan. Dan hebben we daarna nog lekker weekend. ‘Ja’, denk ik, ‘goed idee, dan doe ik in het weekend het werk dat in die twee dagen is blijven liggen.’

We genieten van het fijne hotel, het lekkere eten en overdag fietsen we.

Boeket in Villa Augustus

Op de tweede dag fietsten we door het gebied waar ik als kind ben opgegroeid: de Alblasserwaard. Het landschap bestaat uit weiland, water en hier een daar een boom.

Terwijl we daar zo fietsen realiseer ik me ineens hoe fijn het is om even niets te moeten. Alleen maar te genieten van het mooie weer, te fietsen en te kijken naar alles om me heen.

Het voelt als vakantie.

Mijn werk is naar de achtergrond verdwenen en dat voelt goed.

Door even afstand te nemen is er meer ruimte.

Natuurlijk weet ik wel dat het zo werkt, maar door zo bezig te zijn met mijn werk was ik het vergeten. Het is fijn om het opnieuw te ontdekken.

Ik word er rustiger van. Ik geniet van de vrijheid en er borrelen nieuwe ideeën op. Waar ik nog niets mee moet. Maar het is goed dat ze er zijn.

Als we op zaterdag thuiskomen, de tas is uitgepakt, ga ik niet achter de computer zitten, maar pakken we opnieuw de fiets. Dat werk komt maandag wel.