Alle berichten van Karin Verheij

3 dingen die de moed erin houden

De geur van koffie komt me tegemoet zodra ik de kamerdeur open.

‘Ah, lekker, koffie!’, zeg ik meteen enthousiast.

Terwijl we koffiedrinken vraag ik: ‘Wat vind jij nu eigenlijk nog echt leuk?’

‘Huh? Hoezo?’, vraag je verbaasd.

‘Nou, nu we zo verplicht in huis zitten, waar word je echt blij van?’

‘Dat ik nu veel met jou kan koffiedrinken’, zeg je lachend.

‘Haha, ja, dat ook, en wat nog meer?’

Terwijl je nadenkt, bedenk ik me dat het samenzijn met stip op één staat, maar dat er voor mij nog drie dingen zijn die me gedurende de dag een blij gevoel geven.

Dat begint al bij het aankleden. Toen ik merkte dat ik daar soms helemaal geen zin in had, bedacht ik me wat me hierbij zou kunnen helpen. En dat zijn mijn sokken.

Iedere dag kies ik uit welke sokken ik bij de dag vind passen. Die met kleurige stippen passen bij een dag dat de zon schijnt, als de vogels vrolijk fluiten kies ik voor die met kleurige vogels en als ik het liefst op reis wil, dan trek ik mijn fietssokken aan.

En daarna begint het uitkijken naar.

Wat ik daarmee bedoel? Het uitkijken naar het moment dat dé nieuwsbrief arriveert.

Op sommige dagen klik ik zo vaak op mijn mail dat ik er een lamme vinger van krijg.

Die nieuwsbrief komt van Hanneke Hendrix. Schrijver en hoorspelmaker.

Sinds het begin van de coronacrises schrijft ze iedere dag een tiny letter, met als titel Das Leben is kein Highway, est ist die B73.

En die is fijn om te lezen. Om de herkenning, de lol of juist de ontroering.

Iedere dag ben ik weer benieuwd naar wat er in haar huishouden gebeurt of wat er niet gebeurt. Als Hanneke schrijft dan zie je het voor je. Ze kan heel goed in een paar woorden een situatie schetsen en daar geniet ik van. En dat ze (bijna) iedere brief eindigt met ‘Hou je veilig’ geeft troost en moed tegelijk.

Aan het einde van de middag of aan het begin van de avond wacht dan nog het ommetje.
Tijdens dat ommetje wandelen we door de wijk.

Opvallend hoeveel moois er te zien is.

Bomen vol bloesem langs het spoor.

De stilte van de avond bij het water.
Zoom vooral even in bij deze foto, want aan de linkerkant van het water staat heel veel fluitenkruid. Mijn lievelings!

Bloesem naast het fietspad in de ondergaande zon.

Hele bossen fluitenkruid langs het water bij ons om de hoek.

Een korenbloem in een perkje bij het station.

Uit het boek ‘Goed kijken begint met negeren‘ van Wieteke van Zeil heb ik geleerd dat we zien wat we kennen. Onze ogen gaan daar direct naar toe, als een magneet. Daarom probeer ik mezelf soms uit te dagen om iets te ontdekken wat ik nog niet ken. Onbekende bloemen bijvoorbeeld. Via de app Plantnet  weet ik nu dat deze witte bloemetjes look zonder look zijn. Nu ik het weet, zie ik ze natuurlijk overal.


Ondertussen heb jij kunnen nadenken en zeg je: ‘Toch is het wel waar. Ik vind het echt fijn dat we nu meer tijd samen kunnen doorbrengen. Dat is voor mij het belangrijkste, en ik kan ook erg uitkijken naar wat we eten. De linzensoep die je laatst maakte is nu mijn favoriet. En dat ik nu meer tijd heb om een spel te spelen, is ook leuk.’

En hoe is dat bij jou: wat helpt jou om de moed erin te houden?

Huis-balkon-en-keukendingen: waar is de versiering voor de paastakken?

‘Weet jij waar die nieuwe dingetjes voor de paastakken zijn?’, vraag ik terwijl ik de laatste pan afwas.

‘Die zal jij wel opgeruimd hebben’, zegt mijn lief. Hij wrijft met de theedoek over de saladeschaal.

‘Ik heb al in de doos gekeken, maar daar zitten alleen de oude paasversieringen in’, zeg ik.
‘Ik weet nog dat ik ze had toen ik in de winkel was, maar ik kan me niet herinneren dat ik ze had toen we thuis waren. Dus nu ben ik bang dat ik ze in de winkel heb laten liggen’.

Ondertussen laat ik het water uit de afwasbak lopen.

‘Nou, dat geloof ik niet. Ze zullen wel in je kastje liggen’, zegt mijn lief met overtuiging.

Nadat hij de theedoek heeft opgehangen, loopt hij direct naar het bewuste kastje en kijkt erin.

‘Neeee, daar hoef je echt niet te zoeken, want daar heb ik ook al gekeken. Daar liggen ze niet’, zeg ik. ‘Het is ook al weken geleden dat we ze kochten. Het was aan het einde van de middag toen we in de stad waren voor mijn fiets. Weet je nog? Ik kan me dus echt niet meer herinneren dat ik ze had toen we thuiskwamen. Daarom denk ik dat ik ze bij Dille en Kamille heb laten liggen. Zo stom ook, want nu kunnen we ze niet meer gaan kopen.’

‘Ja, dat weet ik nog’, zegt mijn lief.

Terwijl ik met een doekje het aanrecht droogveeg, loopt hij de kamer uit.

‘Wat ga je nou doen?’, roep ik verbaasd.

Nog geen twee tellen later staat hij weer naast me en houdt een zakje omhoog.

‘Kijk hier zijn ze’, zegt hij triomfantelijk.

‘Huh, maar waar haal die nu vandaan?’

‘Ze zaten nog in mijn jaszak!’, zegt hij.

En we lachen als we ons realiseren dat hij wekenlang met twee hazen, tulpjes en vogeltjes heeft gefietst en gewandeld.

Alzheimer in tijden van corona

Ik: ‘Hallo, met Karin’.
Schoonmoeder: ‘Karin?’ Ik hoor de aarzeling in haar stem.
Ik: ‘De vrouw van Jeroen’.
Schoonmoeder: ‘O, de vrouw van Jeroen’.
Ik: ‘Hoe gaat het met je?’
Schoonmoeder: ‘Ja, goed.’ Daarna hoopvol: ‘Wilden jullie langskomen?’
Ik: ‘Nee. We mogen nu niet langskomen. Door het virus. Weet je nog?’
Schoonmoeder: ‘O ja, dat is waar. Maar is met jullie wel alles goed? Nog niet ziek van .. eh.. dinges.’
Ik: ‘Met ons is alles goed. We zijn niet ziek.’
Schoonmoeder: ‘Gelukkig. Ja. Dus er zijn geen grote moeilijkheden.’
Ik: ‘Nee, hoor. Er zijn geen grote moeilijkheden.’

Terwijl we verder praten, denk ik aan het telefoontje dat we de dag ervoor van de medewerkster van de thuiszorg kregen.

‘Ik stond bij mevrouw voor de deur, maar ze deed niet open. Net toen ik weg wilde gaan, kwam er een politiebusje de straat in gereden. Het stopt hier en toen zag ik mevrouw uitstappen.’

Mijn schoonmoeder maakte een wandeling in het park tegenover haar huis, maar ze wist de weg terug naar huis niet meer en belandde in de woonwijk aan de andere kant van het park.

Een voorbijganger die haar zag dwalen, belde de politie, die daarna net zolang rondjes heeft gereden tot mijn schoonmoeder haar straat weer herkende.

De politie heeft nu ons telefoonnummer. Voor je weet maar nooit.

Schoonmoeder: ‘Nou, bedankt voor je belletje. Fijn, dat alles goed is met jullie. Met mij ook, hoor. Daaag.’

De thuiswacht, Dola de Jong

‘Dingen veranderen. Maar niet vanzelf. Dingen veranderen dankzij mensen die voorop durven lopen’, zei Claudia de Breij tijdens haar oudejaarsconference.

De schrijfster Dorothea Rosalie (Dola) de Jong was zo iemand. Toen zij in de begin jaren vijftig van de 19de eeuw haar boek De thuiswacht wilde uitbrengen vond ze aanvankelijk geen uitgever die het wilde publiceren. Volgens het nawoord van Eva Cossée noemden ze het ‘schaamteloos, onpublicabel’, omdat het een boek was met een voor die tijd controversieel onderwerp: de liefde tussen twee vrouwen.

Uiteindelijk wordt het boek in 1954 in Nederland uitgegeven en krijgt De thuiswacht over het algemeen lovende kritieken van recensenten. Uit de vele brieven die Dola de Jong in Amerika – waar ze in 1941 naartoe is gevlucht – van met name lezeressen krijgt, blijkt dat het boek veel heeft losgemaakt.
In 1961 wordt het boek in Engeland uitgebracht en in 1963 in Amerika.

In 2017 wordt het boek nogmaals uitgegeven bij Cossee.

De recensenten uit die tijd prezen het boek niet alleen omdat Dola de Jong het aandurfde om over de liefde tussen vrouwen te vertellen, maar ook om haar manier van schrijven.

En daar kan ik me helemaal in vinden. Dola de Jong beschrijft de twee hoofdpersonen zo sprankelend en helder dat ze echt lijken. Erica werkt in de journalistiek en is meer extravert, maar ook ongedurig en impulsief. Na haar werk verblijft ze veel buiten de deur. Bea is rustiger. Ze is zorgzaam en praktisch en werkt op een kantoor. Ze denkt veel na en ziet veel sneller mogelijke beren op de weg.

Bea en Erica ontmoeten elkaar eind jaren dertig bij een gemeenschappelijke kennis en besluiten daarna al snel om uit praktische overwegingen samen een verdieping aan de Prinsengracht in Amsterdam te delen.  Ze hebben de slaapkamers verdeeld en delen de keuken en een douchehokje. Rond dit samenwonen speelt het hele verhaal zich af.

Als lezer kijk je voortdurend mee vanuit het perspectief van Bea. Dit is een slimme keuze, want zo weet je ook als lezer niet alles en ontstaat er als vanzelf een spannend element in het verhaal. Want wat doet Erica toch de hele tijd als ze ’s avonds de deur uitgaat? En bij wie blijft ze slapen als ze ’s nachts niet thuiskomt? En waarom reageert Erica soms ineens zo boos? Bea weet het niet, en daardoor roept dit bij mij als lezer ook vragen op.

Het zorgt ervoor dat ik wil blijven lezen, en hoewel er langzamerhand steeds meer duidelijk wordt en Bea zich zelf ook steeds beter realiseert in welke verhouding ze tot Erica staat, blijft de spanning tot de laatste bladzijde.

Ik vind het echt knap zoals Dola de Jong de worsteling van twee jonge vrouwen heeft beschreven in een relatief -154 pagina’s- dun boek. En ik bewonder haar om haar lef. Zij durfde het aan om in een tijd dat het niet gewoon was om over een relatie tussen twee vrouwen te schrijven, dit toch te doen. Zij durfde voorop te lopen.

Ik las dit boek tegelijkertijd met Lalagè. Hier lees je wat zij erover schrijft.
Jannie Trouwborst schreef al in 2017  enthousiast over dit boek. Haar recensie noem ik dus ook graag.

Alzheimer heb je niet alleen

Je klopt met je vingers op tafel. Alsof je haast hebt en je maar met moeite je ongeduld kan bewaren.

Het is tweede kerstdag.
Rond kwart voor één en we zitten met z’n drieën rond de tafel.

De damp komt van de aardappels, die ik net afgegoten heb en ik ruik de geur van de spruitjes op mijn bord.
Ik heb geen trek, maar eet toch.

Terwijl je eet, kijk je recht vooruit. Naar de nieuwe kalender aan de muur. Recht tegenover je eettafel. Je praat over wat je ziet. Je vraagt je af of de meisjes op de foto (= je kleinkinderen) in Oostenrijk zijn, want je ziet veel sneeuw.

Ineens kijk je me aan en vraagt: ‘En hoe is het nu met jouw ouders?’

‘Goed’, antwoord ik en ik wacht op het, voor mij al bekende, vervolg.

‘O ja, maar je moeder had toch iets?’

‘Nee, het is goed met mijn moeder. Ze is niet ziek geweest.’

‘Ah, ik dacht toch…’

Bij het toetje leef je op. Slagroom is je favoriet, dus die heb ik bovenop je trifle gedaan.
Je kijkt er glunderend naar en zegt: ‘Ik eet altijd een toetje, want wij zijn echte Papbuiken.’

Ineens kijk je me aan en vraagt: ‘En hoe is het met jouw ouders?’

‘Goed’, antwoord ik en ik wacht op het vervolg.

‘O ja, maar je moeder had toch iets?’

‘Nee, het gaat goed met mijn moeder. Ze is niet ziek geweest.’

‘Ah, ik dacht…’

In gedachten zie ik mijn ouders samen aan de tafel zitten.

Gewoon aan de lunch, want zij eten liever ’s avonds warm.

Mijn moeder met haar grijze haren en haar bezorgde blik.

Mijn vader die met trillende handen zijn boterham smeert, waardoor het mes tegen zijn bord tikt.

Parkinson.

Maar dat heb ik mijn schoonmoeder niet verteld.
Aan een hoofd waarin Alzheimer de regie voert, moet je geen onrust toevoegen.

In mijn eigen hoofd geven deze twee ziektes al onrust genoeg.

Wie het mooist valt, Sara Nović

‘Come as you are’, zachtjes zingen deze woorden door mijn hoofd als ik dit aan het typen ben. Voor wie het niet kent: het zijn de eerste woorden van het gelijknamige nummer van Nirvana, dat in 1991 op het album Nevermind werd uitgebracht. In 1992 werd het uitgebracht als single en werd het bekend bij een groter publiek.

De zanger van de band Kurt Cobain pleegde in 1994 op 27-jarige leeftijd zelfmoord.

Deze informatie over Nirvana kan ik nooit meer vergeten. Niet omdat ik een fan was, maar door degene die me hierover vertelde. Zijn anders wat sombere ogen glansden en zijn haren (natuurlijk een vergelijkbaar kapsel als van zijn grote held) deinden om zijn hoofd, terwijl hij mij uitlegde hoe het allemaal zat.

In 1991 begon ook de oorlog in voormalig Joegoslavië.

Deze oorlog speelt een belangrijke rol in het boek ‘Wie het mooist valt’.

Ana Jurić is 10 jaar als de oorlog begint en zij, samen met haar vader en moeder en haar baby zusje, in Zagreb woont. In het eerste deel van het boek ervaar je als lezer door haar ogen wat de oorlog voor haar betekent.

In het tweede deel van het boek is Ana 20 jaar en woont en studeert ze in Amerika. Ze woont dan samen met haar zusje bij haar Amerikaanse pleegouders. De oorlog lijkt letterlijk en figuurlijk ver weg en voorbij, maar voor Ana is haar oorlogsverleden heel tastbaar. Haar nachtmerries houden haar wakker en door de andere wereld waarin ze leeft, leert ze te zwijgen over wat ze heeft meegemaakt en waar ze eigenlijk vandaan komt.

Uiteindelijk besluit ze om tijdens haar zomervakantie terug te gaan naar Zagreb om te onderzoeken hoe het met haar jeugdvriendje Luka gaat, maar ook om de plekken te bezoeken waar ze met haar ouders heeft geleefd én waar ze haar ouders heeft verloren.

Vervolgens krijg je als lezer In de delen drie en vier de antwoorden op de vragen die bij het lezen in het tweede deel bij je naar boven komen.

Ik weet dat dit een beetje cryptisch klinkt, maar als je het boek nog wilt lezen, dan is het niet leuk als ik hier al cruciale informatie ga weggeven.

Eigenlijk kan ik in één zin weergeven wat mijn mening is over dit boek: wat een goed en meeslepend boek!

De duidelijke taal (complimenten voor de vertalers Maaike Bijnsdorp en Lucie Schaap) en de opbouw zorgen ervoor dat ik voortdurend wil verder lezen. De vraag: hoe gaat het verder met Ana, zorgt dat ik blijf lezen. Dat voelt soms ook best raar, want lezen over een oorlog en wat Ana hierdoor meemaakt, geeft een dubbel gevoel.

Dit boek bracht me ook terug in de tijd. In 1995 gaf ik als docente NT2 Nederlandse les in Rotterdam en had ik veel mensen die gevlucht waren voor diezelfde oorlog in mijn klas.

De Kurt Cobain fan van begin 20, die zo treurig kon kijken als hij vertelde over zijn ouders waarvan hij niet wist of ze nog leefden, vertelde mij zo vol jeugdig enthousiasme over de band Nirvana en onderging een ware metamorfose als hij hierover kon praten. Dus stelde ik alleen daarom al veel vragen en luisterde ik met andere oren naar deze band.

Ik las ‘Wie het mooist valt’ gelijktijdig met Lalagè. Hier kan je lezen wat zij van het boek vond.

Hartjes voor de hartjeswandeling

Vanaf een afstandje stonden ze stil te kijken hoe wij langzaam dichterbij kwamen.

De grote zwarte lijven glansden in de zon. Ze stonden een beetje verdeeld om het water.

Ze hadden iets dreigends over zich, of verbeeldde ik me dit?

Ooit liepen we in Kent door een veld met koeien die bij de eerste aanblik rustig en geconcentreerd stonden te grazen, maar toen wij halverwege waren werden ze blijkbaar toch aangetrokken door de twee wandelaars die hun weiland doorkruisten en zagen wij ze met stramme benen snel op ons afkomen.

Sinds die tijd check ik altijd even of er een hek tussen ons en de koeien zit.

Dat hek bleek er deze keer te zijn, en toen we nog een paar meter dichterbij kwamen zagen we ineens waarom ze ons zo strak in het oog hielden: achter de hoge ruggen stond een kalfje. Zwart met een witte streep over zijn rug. Een beetje verdwaasd stond het ons aan te kijken.

Een leuke verrassing tijdens deze toch al afwisselende wandeling.

De wandeling startte in een klein bos dat vervolgens uitkwam bij een riviertje.

Waar we zagen hoe hele fijne witte bloemetjes als eilandjes in het water dreven.

Langs het pad werden we vergezeld door vlinders die vlak voor onze voeten omhoog vlogen.

Na weer een stukje bos keken we ineens uit over een veld vol kleur.

Ook liepen we over houten bruggetjes, waarvan het hout kraakte toen we erover gingen.

Maar het meest bijzonder was toch wel dat de route werd aangegeven door rode hartjes. ‘Hjertesti’ is ‘Hartjeswandeling’ in het Deens.

Later las ik dat er verschillende wandelingen in Denemarken met deze hartjes zijn. Om mensen bewust te maken dat wandelen goed voor je hart is. Ze zijn terug te vinden op de site van de Deense hartvereniging.

In Nederland heb ik deze hartjes nog niet bij wandelroutes gezien, of vergis ik me?
Mocht jij ze wel gezien hebben, dan hoor ik het graag.

Wil je deze wandeling ook een keer lopen? Je vindt hem net boven het stadje Ribe in Denemarken.

Het bureau

Nooit eerder had ik een bureau voor het raam.

Het raam zit bij mij aan de zijkant.

Ook bij de 4 bureaus die ik eerder in mijn leven had zat het raam altijd aan de zijkant.
Misschien ook wel beter, dan word ik niet afgeleid.
Aan al die bureaus heb ik heel wat gelezen, geschreven en geleerd. En lessen voorbereid, dat ook.

Het tweede bureau dat ik ooit bezat werd op maat voor me gemaakt. Mijn vader ontwierp  het en timmerde het ook zelf in elkaar. Aan de linkerkant van het bureau maakte hij een hoge kast met planken voor mijn boeken en aan de onderkant waren deurtjes, zodat ik daar de spullen die ik uit het zicht wilde houden kon zetten. Aan de rechterkant zaten vier lades.

Alles was wit, behalve de handgrepen van het bureau, die waren rood. Afgestemd op de rest van de kamer, die wit was met rode accenten.

Het bureau staat er nog steeds. Alleen wordt het nu gebruikt door mijn moeder die er zit te schrijven of te knutselen.

De rode accenten zijn verdwenen en vervangen door blauwe.

Ik vind een bureau fijn. Je kan er je eigen wereld van maken. Het indelen zoals je wil én je kan er spullen laten liggen, waardoor je er op een ander moment weer zo mee verder kan.

Zoals je kan zien, heb ik dit bureau ook ingedeeld. Links een stapel boeken, daarnaast een paar rolletjes tape. Recht voor me mijn vis-etui en rechts een paar schrijfboekjes, enveloppen en stickers.

Terwijl ik dit typ hoor ik de vogels vlak onder het raam fluiten.

Als ik voor me kijk zie ik een paar hoge  struiken en een dennenboom bewegen in de wind. Een stukje groen gras en daarachter is de zee.

Dat bevalt me wel. Ik denk dat ik dit bureau maar hou.

Deze foto op dinsdag blog, werd geïnspireerd door #PHOT ‘photo on Tuesday’, een initiatief van Karin Ramaker.

Waarom ik Janny uit ’t Hooge Nest van Roxane van Iperen bewonder

‘Ah, kijk een koolmeesje op de balustrade.’

We drinken koffie en vanaf de bank zie ik ‘m ineens zitten. Zwart met geel, zijn kopje iets scheef, terwijl hij nieuwsgierig naar binnen kijkt.

Jij kijkt ook en prrt, weg is ie weer.

We lachen.

Meteen denk ik aan een andere vogel.

Een roofvogel. Hoog in de lucht.

Zodra ik nu een vogel zie, flitst hij even door mijn hoofd.

En ik zie ook haar weer voor me: een jonge vrouw die in de tuin van haar woning naar de bomen tuurt om te zien of de torenvalk in de buurt is.

Het is een scene uit het boek ’t Hooge Nest van Roxane van Iperen en ik denk dat ik dit beeld niet snel meer kwijt zal raken.

Eigenlijk is het geen bijzonder beeld: een jonge vrouw die de lucht afzoekt naar een roofvogel. Dat zal wel vaker voorkomen.

Maar omdat ik weet dat ze dit doet tijdens de Tweede Wereldoorlog en de vogel vrij is en zij niet, raakt het me.

Ik bewonder haar, deze Janny Brandes-Brilleslijper.

Als Joodse vrouw van begin twintig besluit ze om geen J in haar paspoort te laten drukken als in januari 1941 op deze manier alle Joden worden geregistreerd. Haar familie doet dit wel.

Dat ze dit doet, getuigt van een sterke persoonlijkheid, vind ik.

Eerlijk gezegd word ik zelf al lichtelijk gestresst als ik in een trein niet direct mijn OV-chipkaart kan vinden als de conducteur erom vraagt. Terwijl dit van een heel andere orde is dan tegen de wet ingaan in een tijd, waarin er zoveel op het spel stond.

Janny staat voor wat ze belangrijk vindt en hoewel ze bang is en samen met haar man een zoontje heeft, verlaat ze bijna iedere dag hun schuilplaats ’t Hooge Nest tussen de bomen in het Gooi om te zorgen voor eten en levensmiddelen voor haar familie die bij haar woont én gaat ze met de trein en tram van Naarden naar Amsterdam om persoonsbewijzen of verzetskranten voor het verzet af te leveren.

Ik vind het knap van Roxane van Iperen dat ze Janny en haar familie en vrienden zo heeft weten te beschrijven, dat ze echte mensen worden,  zo echt dat het lijkt alsof je ze kent.

Als lezer wilde ik alleen maar verder lezen, omdat ik wil weten hoe het verder gaat. Hoewel er ook momenten waren dat ik het boek aan de kant moest leggen, omdat me een gevoel van machteloosheid bekroop. Waarom gebeurde dit eigenijk? Hoe kunnen mensen dit elkaar aandoen.

De mensen en het verhaal bleven nadat ik het boek uit had nog lange tijd door mijn hoofd spoken. Ik kon ook niet meteen weer in een ander boek beginnen.

Ik hoop dat heel veel mensen het boek lezen, omdat een vrouw als Janny er mede voor heeft gezorgd dat we nu in een vrij land leven, waarin we in alle vrijheid naar het ‘bidden’ van een torenvalk kunnen kijken.

Morgen doe ik het nog beter! Peta Twijnstra

Morgen doe ik het nog beter! Afwisselende werkvormen voor intervisie is een fris en kleurig boek over intervisie en hoe je dit kunt toepassen.

Bij intervisie bespreek je samen met collega’s of mensen uit hetzelfde vak een vraag of probleem op werkgebied. De andere deelnemers stellen vragen, geven feedback, luisteren en delen ervaringen. Vaak maak je dan gebruik van een bepaald ‘gespreksmodel’, zodat iedereen aan de beurt komt en het gesprek effectief blijft. Zo word je op ideeën gebracht en kom je uiteindelijk zelf tot een oplossing voor je probleem.

In Morgen doe ik het nog beter! heeft Peta Twijnstra modellen die al bestonden verzameld en nieuwe modellen toegevoegd. Al die modellen worden kort en bondig op aparte pagina’s beschreven en kan je dus direct gebruiken in je eigen intervisiebijeenkomst. De papieren figuurtjes bovenaan de pagina’s zorgen voor kleur en verwijzen naar de thema’s.

Wat het boek aantrekkelijk maakt, zijn de aanvullende oefeningen. Zo zijn er opwarmers (om samen tot concentratie te komen voor de intervisie), korte oefeningen om terug te kijken, inbreng te genereren en afsluiters.

Het leuke is dat deze oefeningen ook heel goed op andere momenten te gebruiken zijn.
Bijvoorbeeld bij een training, in een vergadering, in een les of tijdens een coachgesprek.
Zoals de opwarmer ‘een geluksmomentje’. Iedere deelnemer vertelt over een geluksmomentje van de afgelopen tijd in zijn of haar werk. Als je daar een vergadering mee begint, zorg je samen voor een positieve start.