Categorie archief: Algemeen

‘Eigenlijk ben ik 28’

‘Karin, ik ben al zóveel toch?!’

Stéphanie, mijn au-pairkind, houdt haar vingertjes met moeite omhoog. Vier.
Ze zou het morgen al willen zijn.

‘Hoe oud bent u?’

‘Tweeëntachtig’, zegt mijn schoonmoeder.

In het antwoord van de ander klinkt bewondering: ‘Dát is een hele leeftijd.’

Ik slik en weet precies wat er nu gaat komen.

‘Ja.’

Verder pratend, struikelt mijn schoonmoeder bijna over haar woorden ‘Maar ik draai het altijd om. Dus eigenlijk ben ik 28.’

Leeftijd. Een raar fenomeen.

De enige keer dat ik er zelf meer mee bezig was, was toen ik dertig werd.

Maar dat had meer te maken met de onzekerheid die ik erbij voelde, dan door het getal.

Zou die prins op het witte paard nog wel komen, nu ik ‘al dertig’ was?

Ik ben tevreden met de leeftijd die ik nu heb bereikt.

Echt?!

Ja, echt.

Omdat ik weet dat ieder jaar een jaar ouder worden niet zo vanzelfsprekend is.

Wel merk ik dat het getal vijftig effect heeft op mijn gedachten over tijd.

Alsof dit cijfer een luikje in mijn hoofd heeft opengemaakt, waaruit wordt geroepen:

‘Joehoe, denk je hier wel even over na?!’

Ik kijk met oprechte verbazing naar het verleden en vraag me regelmatig af ‘Waar is de tijd gebleven?’

In mijn hoofd vul ik mijn eigen evaluatieformulier in: heb ik het wel besteed aan zaken die ik belangrijk vind?

Richting de toekomst werkt het ook anders. Meer dan ooit ben ik me ervan bewust dat het niet meer ‘oneindig’ is.

Waarom dacht ik dit allemaal niet toen ik negenenveertig was?

Leeftijd. Een raar fenomeen hè.

Foto: Sanah Suvarna

 

‘Hup, ga eens op zoek naar je geluk!’

‘Geluk. Tja, wat is nou geluk?’ Ze slist een beetje terwijl ze het zegt. Ze kijkt niet naar mij. Al haar aandacht is bij het speculaasje dat ze in haar koffie doopt.

Ik schrik op als er een groep mensen langs mijn tafeltje schuift.

Eén van de mannen verheft zijn stem: ‘Ja Klaas, die tafel daar, dan kunnen we allemaal zitten.’

Het geluid van stoelen over de houten vloer en druk gepraat naast mij zorgt ervoor dat ik niets meer versta van wat de oudere dame, twee tafels voor me, verder nog zegt.

Jammer. Ik was juist zo benieuwd.

Ik roer de melk door mijn koffie, neem een slokje en denk: Geluk. Daar is iets raars mee.

We willen het allemaal ‘gelukkig zijn’.

Ik ook.

In veel boeken of blogs is te lezen hoe je dat kan aanpakken.

In drie stappen naar meer geluk, dat klinkt simpel.

Maar ík krijg er de kriebels van.

Alsof gelukkig zijn een trucje is.

Alsof geluk maakbaar is. En het daarmee jouw probleem wordt als je het niet bent.

Iemand die blijft klagen en niet in beweging komt, die zou daar eens iets aan moeten doen:

‘Hup, ga eens op zoek naar je geluk!’

Maar op het moment dat mensen uit landen waar het niet zo makkelijk is om gelukkig te zijn op zoek gaan naar hun geluk in een ander land, worden we bang.

‘Nee, al die gelukzoekers kunnen wij hier niet hebben.’

Tijdens een gesprek met twee nieuwe cliënten voor een taalinstituut denk ik hieraan.
Tegenover me zitten een man en een vrouw.

‘Hebt u in het AZC Nederlandse les gehad?’, vraag ik aan de man.

De jongen naast hem vertaalt mijn vraag in het Arabisch. Het is herfstvakantie. Hij is tien, schat ik, en spreekt goed Nederlands.

De man kijkt naar de jongen en dan naar mij.

Hij schudt zijn hoofd.

Met mijn pen op het papier wil ik het antwoord al opschrijven.

De jongen begint te praten. Zijn stem klinkt opgewekt als hij zegt: ‘Nee, want toen was mijn zus nog zwanger. De baby werd geboren en is na vier dagen overleden. Toen konden hij,’ – zijn hand wijst naar de man – ‘en mijn zus geen Nederlands leren’.

Verschrikt kijk ik hem aan. ‘O, maar wat ontzettend verdrietig.’

De jongen, hij kijkt nog steeds opgewekt, zegt ‘Ja’.

Ik kijk naar de man en vrouw tegenover me. En knik ze aangedaan toe.

‘Och, wat verdrietig voor jullie. Wat erg.’

De jongen vertaalt mijn woorden.

We kijken elkaar aan. In de ogen van de man en de vrouw zie ik het verdriet.

Het blijft even heel stil.

Gelukzoekers? Het zou wat. Op de vlucht voor een oorlog en dan verlies je in een vreemd ver land, waar je de mensen niet kan verstaan, je baby.

Wat een geluk.

Feedback vragen? Echt niet!

feedback-vragen

‘Eigenlijk heb ik geen hulp nodig’, zegt ze.
Ik zet mijn koffie weer neer en zeg niks.

Ze kijkt me aan. ‘Nou ja, niet bij het vinden van mijn passie of zoiets, want ik weet al welke baan ik wil.’

Ze solliciteert al een half jaar op banen. Van tijd tot tijd mag ze op gesprek komen, maar ze wil dat het sneller gaat, vertelt ze me.

Daarom heeft ze mij gebeld. Ze wil dat ik haar help.

Aha! Dus dit is de vraag.
Solliciteren vraagt om volhouden en dat is best lastig.

Dat begrijp ik.

Als je van tevoren zou weten dat je binnen zoveel tijd dé baan zou hebben, dan zou je tenminste weten waar je aan toe bent.

Helaas kan niemand je dit vertellen. En dat maakt solliciteren lastig.

Zwaar ook.

Want hoe vaak iedereen in je omgeving ook zegt dat je die leuke werkplek echt wel zult vinden, jij moet maar steeds weer de energie opbrengen.

Die onzekerheid kan ik als loopbaancoach niet wegpoetsen.

Ik kan ook niet zorgen dat het sneller gaat.

Ik kan wel zorgen dat je brief en cv beter worden.
En dat we samen bekijken wat je verder nog nodig hebt bij het solliciteren.

Mijn cliënte deed al heel veel goed. Alleen het vragen om feedback bij een afwijzing deed ze niet altijd.

Ze wist wel dat feedback vragen handig is, maar soms baalde ze zo van de afwijzing, dat ze er niet meer aan wilde denken.

Dan belde ze maar niet.

Logisch.

Maar toen ik aangaf dat het juist belangrijke informatie voor haarzelf kan opleveren, wilde ze het toch wel weer proberen.

Baat het niet dan schaadt het niet.

Bij een volgende sollicitatie kreeg ze wéér een afwijzing.

Toen ze belde om te vragen naar feedback, was de werkgever verrast door haar vraag.

Vervolgens hadden ze een leuk gesprek.

De volgende dag werd ze teruggebeld. De werkgever vond het zo goed dat ze om feedback had gevraagd, dat hij haar graag alsnog voor een gesprek wilde uitnodigen.

Hij had het nog niet eerder meegemaakt, dat iemand na een afwijzing om feedback had gevraagd. Daardoor viel ze op.

Het sollicitatiegesprek verliep goed. En mijn cliënte kreeg de baan.

Zo zie je maar weer dat het altijd de moeite waard is om geen enkele kans te laten liggen in je zoektocht naar een nieuwe baan. Hoe lastig dit in eerste instantie misschien ook lijkt.

Foto: Daria Nepriakhina

Waarom ik wel schreeuw, maar niet van de toren

Wat wil jij van de toren schreeuwen?

Op grote hoogte staan.

Dat is niets voor mij.

Ooit stapte ik met bibberende knieën en klotsende oksels in een kabelbaantje om ergens ‘op een berg’ met mijn au pair gezin te gaan lunchen.

Het ging. Natuurlijk.
Maar als ik mag kiezen blijf ik liever op de begane grond.

Zo bleef ik koffiedrinken onder een kerktoren in Oxford, terwijl mijn lief de 120 en nog wat treden beklom om van het uitzicht te genieten.

Dus iets van een kerktoren gaan staan schreeuwen, dat is niets voor mij.

Schreeuwen? Nee, daar ben ik niet van. Laat mij maar rustig praten.
Dat past bij me.

Die kerktoren en dat schreeuwen stonden me dan ook behoorlijk in de weg om de vragen van de Kommaarop van deze maand te beantwoorden.

Hoewel de vragen ‘Wat zou jij van de kerktoren willen schreeuwen?’
‘Waar luid jij de noodklok voor?’ en ‘Waar hang jij de vlag voor uit?’ wel door mijn hoofd bleven spelen.

Want stel dat ik daar toch zou staan, daar bovenop die kerktoren, wat zou ik dan te zeggen hebben?

Iets dat me echt, echt aan mijn hart gaat.

Vorig week donderdag bij het wakker worden wist ik het ineens.

Wat ik van de kerktoren zou willen schreeuwen is: ‘Laten we aardig zijn voor onszelf’.

Je denkt nu vast ‘ja, ja, weer zo’n softe coach die iets roept over aardig zijn’.

Makkelijk zeg. Een echte open deur.

En ja, dat ben ik met je eens. Het is een open deur.

Maar hee, doe jij die deur vaak open?

Ben jij echt aardig voor jezelf? Net zo aardig als je, voor je vriendin, partner, moeder of wie dan ook, bent?

Geef jij jezelf weleens een compliment? Of echt vrije tijd? Tijd, die je mag besteden zoals jij wil? Sta jij het jezelf toe om fouten te mogen maken, of moet alles in één keer goed?

Aardig zijn voor onszelf zorgt voor lichtheid. Minder zwaarte of zorgen. En dat gun ik onszelf van harte.

De noodklok luid ik voor het feit dat nog steeds 2,5 miljoen mensen in Nederland niet goed kunnen lezen, schrijven of rekenen. 2,5 miljoen! Ik vind het nogal wat.

Tegenwoordig hebben we voor alles wel een dag: vandaag is het Wereld Alfabetiseringsdag. Landelijk is dit de week van de Alfabetisering. Ik juich het toe dat er op deze manier aandacht voor wordt gevraagd.

En ik juich niet alleen. Ik doe er zelf ook iets aan. Een dag in de week geef ik een taaltraining aan medewerkers in een ziekenhuis, zodat zij hun taalniveau kunnen verbeteren, waardoor ze met meer gemak en plezier kunnen leven en werken.

En last but not least hang ik de vlag uit voor iedereen die belangeloos iets doet voor een ander.

Zoals je buren of je familie die voor je post of planten zorgen, terwijl je op vakantie bent.

Maar er zijn natuurlijk legio situaties te noemen waarbij het heel fijn is dat een ander je helpt. Kijk maar eens om je heen.

En hoe klonk dit vanaf de begane grond?

Dit blog is geschreven in het kader van Kommaarop. Een idee van Agnes Swart en Tessa Wiegerinck.

Het geheim dat mijn oma met mij deelde

Oma en opa

Praten.

Mijn opa en oma vonden dat lastig.

Dus veel gepraat werd er niet.

Of eigenlijk werd er heel wat afgepraat, maar niet over hoe je je voelde of wat je dacht.

Het is dan ook best bijzonder dat één van mijn fijnste herinneringen aan mijn oma over een goed gesprek gaat.

Een gesprek tussen haar en mij. Op een zomerse zondagmiddag op het bankje voor hun huis.

Ik was vijfentwintig, studeerde en dacht veel na over mijn toekomst.

Terwijl ik peinzend naar een hommel keek die om de leeuwenbekjes zoemde, vroeg ik haar ‘Bent u tevreden met uw leven?’

Ik zie nog haar verbaasde ogen en hoor haar zeggen: ‘Och kind, wat een vraag.’

Mijn oma zei altijd ‘kind’ tegen je. Ik vond dat fijn. Het voelde vertrouwd.

Ik kende dit al. Je kreeg een antwoord, maar niet echt. Dus hield ik aan. ‘Ja, best een vraag hè. Maar wat is uw antwoord. Bent u tevreden met uw leven?’

Of ze aan me kon zien dat het belangrijk voor me was, of dat ze gewoon in een open bui was, ik zal het nooit weten. Maar ze antwoordde.

‘Ik ben best tevreden, maar soms vind ik het jammer dat ik dingen niet heb kunnen doen.’

Enigszins verrast door haar antwoord, vroeg ik ‘O ja? Wat dan?’

‘Ik had ook wel willen studeren bijvoorbeeld.’

‘O ja! En wat?’

‘Dat weet ik niet precies. Maar leren vond ik altijd fijn. En met wat je leert kan je weer anderen helpen. Maar bij mij liep het anders.’

In mijn hoofd zag ik meteen voor me hoe anders dat het liep. Ze trouwde, kreeg zes kinderen en zorgde voor haar gezin. Ze ging trouw naar de kerk, hield van handwerken, haar planten en haar tuin. Ze deed dingen op vaste dagen. Op maandag was het wasdag en op vrijdag bezocht ze bekenden in het bejaardenthuis. Op zaterdag kwamen de kinderen en kleinkinderen en op zondag was het een rustdag. Dat was haar wereld.

Ondertussen praatte ze verder: ‘Ach, weet je kind, toen ik zo oud was als jij gingen meisjes niet studeren. Je hielp thuis of had een dienstje en je trouwde. Het was een andere tijd. Het is fijn dat meisjes van nu die kans wel hebben.

Het is belangrijk dat je een kans krijgt en die benut. Het maakt niet uit wat je doet in je leven, als je er zelf maar iets van maakt.’

Nu ik dit schrijf zie ik ons daar weer zitten. Ik heb lange tijd niet aan dit gesprek gedacht, maar bij het nadenken over de Kommaarop vraag: ‘Waardoor laat jij je leiden in je ondernemersleven?’ dacht ik eraan terug en realiseerde ik me dat dit het is wat mij drijft in het leven en dus ook in mijn werk.

Anderen verder helpen, zodat ze de kansen zien die er voor ze zijn en ze in staat zijn om ze goed te benutten. Niet alleen nu, nu ik mijn eigen bedrijf heb, maar ook toen ik in dienst was bij een organisatie.

In het laatste jaar dat ik studeerde werd mijn oma ziek. Ze overleed voordat ik mijn bul kreeg uitgereikt. Maar ik wist zeker dat ze op die dag naar mij keek daar vanuit de hemel.

Dit blog is geschreven in het kader van Kommaarop, een idee van Agnes Swart en Tessa Wiegerinck.

‘Was het de moeite waard?’

Church St Thomas à Becket, Fairfield
Foto: Jeroen Nijs

Het is warm.

Het fluitekruid langs de weg buigt in de wind.

Het ruikt naar mest. In de verte blaat een schaap.

We duwen tegen een hekje dat piepend opengaat.

Het is halverwege mei en we hebben vakantie. We wandelen.
Richting een kerkje dat in een weiland ligt. Midden tussen de schapen.

Het is er stil.

Het lijkt siësta-tijd in Engeland. De schapen met lammetjes liggen in het gras.

Het kerkje ligt er al eeuwen.

Een smal paadje leidt ons er naartoe.

Halverwege het pad wijken we automatisch iets uit voor een zwanenpaar dat aan de kant van een sloot zit.

Na een paar minuten staan we naast het kerkje.

Mijn lief fotografeert wat en ik mijmer. Wat een rust en stilte.

We zwijgen en genieten.

Na een tijdje lopen we het paadje weer terug.

Zorgvuldig sluiten we het hekje achter ons.

Langzaam wandelen we de weg af in de richting van de auto.

Ineens klinkt er een stem. Twee grijze dames met wandelschoenen aan komen ons tegemoet. ‘We zagen jullie bij het kerkje, was het de moeite waard?’

Lekker lezen! Of… hoe werkt dat nou zo’n uitdaging?

Verzameling meisjesboeken
Mezelf meer tijd gunnen om te lezen, dat wil ik al een tijdje. Het is iets dat ik heel graag doe, maar door druk zijn en drukte in mijn hoofd, schoof ik het maar steeds door naar een volgende dag of een ander moment.

Dat schoot dus niet op.

De #kommaarop van de maand april kwam dan ook als geroepen. Een maand lang bezig zijn met een zelfgekozen uitdaging.

Mijn uitdaging werd: iedere dag een half uur lezen.
Niet met als doel om meer boeken te lezen. Nee, vooral om weer te genieten van het lezen.

Collega-ondernemer Sonja van Vuren schreef als reactie bij mijn uitdaging:
‘Maar een half uurtje per dag? Eitje…’

Nou, dat was toch niet helemaal waar. Er zat nog best een hard stukje in dat eitje.

De eerste week van april ging ik voortvarend van start.
Het was fijn dat de start in het weekend viel, zo had ik rustig de tijd om te lezen.
Iets langer dan een half uur lukte dan ook prima.
Ook de rest van de week ging het soepel. Een enkele keer las ik pas ’s avonds in bed. Maar dat gaf niet een half uur lukte dan toch.

Wat nog niet helemaal lukte, was om er ook echt van te genieten. Het voelde als een verplicht nummer. Tijdens het lezen keek ik regelmatig op de klok om te zien of het half uur al voorbij was.

Dat was toch niet helemaal wat ik wilde. Wat kon ik daar eens aan doen?

Eerlijk gezegd wist ik dat niet meteen.

De tweede week ging het finaal mis. Ik was druk met werk en toen ik dinsdagavond naar bed ging, viel ik in slaap, zonder me te realiseren dat ik die dag niet in mijn boek had gelezen.

Pas de volgende ochtend bij het opstaan viel mijn oog op het boek en bedacht ik me dat ik niet had gelezen. In eerste instantie kon ik me daar niet zo druk over maken. Er waren andere zaken die mijn aandacht vroegen. Maar toen ik later die dag van een opdracht naar huis fietste, baalde ik ervan.

Ik wilde dit toch zo graag. Waarom maakte ik er dan geen tijd voor?

Tot ik me realiseerde dat ik er teveel een ‘moeten’ van maakte.

Stiekem had ik gedacht dat ik deze maand even een flink deel van mijn stapel boeken zou ‘weglezen’. En dat was meteen het ‘probleem’. Ik deed het niet om lekker te lezen. Ik wilde gewoon mijn to-do lijstje op leesgebied korter maken. Ik deed het voor het resultaat en niet om te genieten. Toen ik dat had geconstateerd, realiseerde ik me dat ik die ‘verplichte’ stapel boeken even opzij moest schuiven.

En ik vroeg mezelf af: wat wil ik nu echt lezen?

Het werd een boek uit mijn verzameling oude meisjesboeken.

Ja, écht, het werd een meisjesboek!

Daar had ik gewoon het meeste zin in.

Mijn voorliefde voor retro betreft ook boeken. Mijn quilty pleasure is mijn verzameling oude meisjesboeken, die ik als puber ook las.

Denk aan schrijfsters als Nel van der Zee, Cissy van Marxveldt, Fenna Feenstra, Leni Saris of (mijn favoriet) Sanne van Havelte.

En daarmee was het hek van de dam. Ik las zodra ik ook maar een momentje tijd had. Ik hoefde niet meer op de klok te kijken, want ik verdween in de boeken. Ik leefde zo mee met de hoofdpersonen dat ik gewoon de tijd vergat.

Heerlijk! Precies zoals ik vroeger in een verhaal verdiept was.

Meisjesboeken van weleer, Kristine Groenhart

Toen ik op de laatste dag van de uitdaging in de Volkskrant een artikel van Sylvia Witteman las, met als titel ‘Deugnieten met een olijke lach’, waarin ze schrijft over haar voorliefde voor oude meisjesboeken, dacht ik meteen ‘dit kan toch geen toeval zijn!’

Door het artikel kwam ik erachter dat ook schrijfster Kristine Groenhart een fan is van meisjesboeken. Op 26 april, jawel precies in de maand van de uitdaging, kwam haar boek ‘Meisjesboeken van weleer’ uit.

Je begrijpt dat ik het boek meteen heb gekocht. Niet alleen omdat ik nieuwsgierig ben naar de inhoud, maar ook om mezelf te herinneren aan het feit dat lezen voor het resultaat niet werkt.

‘Heb je kinderen?’

Een doodnormale vraag, met een eenvoudig antwoord: ja of nee.

Een vraag die we allemaal weleens stellen of die ons wordt gevraagd.

Ook ik krijg deze vraag weleens.

Het leukst vond ik de manier waarop mijn oppaskind Paul, toen drie, het vroeg. Met zijn hoofd een beetje schuin en met stralend blauwe ogen zei hij: ‘Heb je thuis ook kindjes?’

Begin twintig was ik. Ik studeerde en had als bijbaan ‘oppassen’. Voor mij een logisch vervolg van mijn jaar als au pair.

Zowel ’s avonds (handig, met mijn studie) als overdag. Vele, vele uren bracht ik op die manier door in andermans huis en met andermans kinderen.

Kinderen in alle leeftijden: van baby tot puber.

Zelf had ik ze niet. Dus mijn antwoord was ‘nee’. Als driejarige geloofde hij dit natuurlijk niet meteen. Eerst zien. Toen hij bij mijn ouders thuis, waar ik toen nog woonde, zag dat er geen kinderen waren, was het waar.

Later toen ik als docente Nederlandse les aan anderstaligen gaf, werd die vraag me heel vaak gesteld. Bij iedere nieuwe kennismaking met een groep cursisten, was er wel iemand die deze vraag stelde. Ik vond dat ook heel normaal. Niet in alle culturen wordt het als gewoon beschouwd dat je als eind twintiger, op jezelf woont en nog geen kinderen hebt. Hoe vaak ik toen niet hoorde: ‘Dat komt vast snel’.

Maar de jaren gingen voorbij en het kwam niet snel.

Dat kwam ook, omdat de beroemde prins op het witte paard mijn pad niet snel kruiste.

Van één ding was ik zeker: ik wilde die kinderen alleen als ik die prins had gevonden. Niet als ik in mijn eentje was.

Toen ik die prins vond, was ik 36. Zevenendertig toen we gingen samenwonen en 39 toen we trouwden.

De kinderen kwamen niet.

Het stellen van de vraag ging door. Logisch, als je iemand leert kennen wil je dit natuurlijk ook duidelijk hebben.

Soms op een verrassende manier. Een collega vroeg eens: ‘Hoe is het met je kinderen?’

‘Huh?!’

Ik keek haar verbaasd aan. Had ik iets gemist? Maar mijn antwoord was simpel: ‘Ik heb geen kinderen.’

Haar reactie verraste me. Ontzet sloeg ze haar hand voor haar mond: ‘O, wat erg!’

Dat voelde raar. Was het erg dat ik geen kinderen had, of bedoelde ze iets anders?

Ze bedoelde het anders. Ze vond het erg dat ze het zo had gevraagd. We hadden er nooit over gesproken, maar ze had het gewoon aangenomen. ‘Jij bent echt zo iemand met kinderen.’

Ik vatte het maar op als een compliment.

Dan zijn er nog de momenten na het stellen van de vraag. Of beter gezegd, nadat ik de vraag heb beantwoord. Ik weet inmiddels dat er dan verschillende scenario’s zijn. Iemand zegt: ‘O.’ En vervolgens blijft het even stil. Of kijkt je aan, en begint dan snel over iets anders of er komt een vervolgvraag: ‘Waarom niet?’

Natuurlijk weet ik dat het onzin is, maar toch heb ik dan altijd even het gevoel dat ik het verkeerde antwoord heb gegeven of mezelf moet verdedigen.

Vorige week werd de vraag me weer gesteld. Deze keer maakte de reactie op mijn ‘nee’ me stil.
‘O, daarom is mijn hoofd zo vol, en het jouwe niet.’

Het spookte de afgelopen dagen door mijn hoofd. Een goed antwoord op deze reactie heb ik niet. Wat ik wel weet, is dat het pijn deed. Omdat er een oordeel in zit. Het ons in een wedstrijd plaatst.

Maar wel of geen kinderen hebben is geen wedstrijd. Het is zo.

Nu niet, ik ben bezig met mijn uitdaging!

Boeken

‘Til je voet even op!’

Mijn moeder zegt het iets harder om boven het geluid van de stofzuiger uit te komen.

Ik reageer niet.

Met de stang geeft mijn moeder een duwtje tegen mijn voet. Dan pas kijk ik op en trek mijn voet in de stoel.

Ik lees.

Het geluid van de stofzuiger of iemand die tegen me praatte. Ik hoorde het niet. Zo ging ik op in het lezen van mijn boek.

Ik was zo’n meisje dat het liefst iedere dag naar de bibliotheek ging om nieuwe boeken te halen. Na een aantal jaar had ik dan ook alle jeugdboeken gelezen. Ik keek verlangend naar de boeken van de volwassenen. Die mocht je pas lenen als je twaalf was.

Gelukkig begreep mijn moeder mijn leeshonger en mocht ik boeken lenen met haar biebpas.

Nog steeds lees ik graag.

Alleen niet meer zo vaak als vroeger.

Logisch, want ik heb minder tijd om aan lezen te besteden dan toen ik een kind was.

Toch is dat het niet alleen.

Het gaat ook om gunnen.

Heel vaak gun ik mezelf de tijd niet.

Dan vind ik andere dingen belangrijker. Zoals een schone badkamer of nog iets doen voor mijn werk.

En natuurlijk is dat ook belangrijk.

Maar iets doen voor jezelf en daarvan genieten is net zo belangrijk.
Het zorgt voor ontspanning, waardoor er weer zin en energie is om dingen die moeten met plezier te doen.

Bij mijn schoonvader zie ik hoe het is, als lezen niet meer gaat.
Daarvan heb ik geleerd: doe het nu het kan.
Maar ja, die tijd hè.

De Oostenrijkse schrijfster Bertha Eckstein zei het heel treffend.

De enige manier om tijd te hebben is tijd te nemen

Ik hoor het ook bij mijn cliënten: ‘Het liefst ga ik regelmatig fietsen, maar waar haal ik de tijd vandaan?’ Of ‘Ik wil graag gezond eten, maar als ik laat thuis ben van mijn werk, heb ik geen tijd om nog een gezonde maaltijd klaar te maken.’

We wíllen het graag, maar we dóen het niet.

Aan mijn cliënten vraag ik dan: hoe zou je willen dat de situatie wordt?
Door daarover te praten wordt duidelijk waar je naar toe wilt, en kom je op ideeën hoe je dat kunt bereiken.
En dat hoeft geen groot en ingewikkeld idee te zijn. Iedere kleine stap, is er één.

Deze vraag stelde ik dus ook aan mezelf: ‘Hoe zou ik willen dat de situatie wordt?’

Mijn antwoord: ‘Het liefst zou ik iedere dag tijd nemen om in een boek te lezen.’
Het gaat me niet om veel lezen, wel om te genieten van het lezen.

Door er over te schrijven en mee te doen aan de ‘Kom maar op’ van Agnes Swart en Tessa Wiegerinck heb ik meteen een stok achter de deur.

Dus dat wordt mijn uitdaging deze maand: iedere dag minimaal een half uur lezen!

Ik heb er zin in! En zal je begin volgende maand laten weten hoe het is gegaan.

En jij? Heb jij iets waar je deze maand echt de tijd voor zou willen nemen?

Laat het weten, en doe ook mee.

En nu… ga ik eerst lekker lezen.

Over hoge verwachtingen, en hoe die succes juist in de weg staan

Krullen

Zestien was ik. En ik keek met rode wangen van spanning in de spiegel van de kapper.

Met een laatste keurende blik vroeg de kapster ‘Hoe vind je het zo?’

Fantastisch, vond ik het. Eindelijk, eindelijk had ik echte krullen!

Nou ja, nep natuurlijk, maar voor mij was het helemaal echt.

Maanden had ik bij mijn ouders gezeurd om deze krullen. Mijn beste vriendin had ze en het leek me het einde. Of het nou regende of stormde haar haar zat altijd goed. Ze hoefde er niet veel aan te doen. Even met haar hand er door en het zat weer in model. Ideaal!

En dat die leuke jongen van 3B met haar kletste, kwam natuurlijk ook door haar mooie krullen.

Met een hoofd vol verwachtingen liep ik bij de kapper de deur uit.

De volgende ochtend waren mijn verwachtingen flink gedaald. Door het slapen waren mijn krullen in de war geraakt. En wat zat het plat!

Met mijn hand er doorheen hielp niet. Kammen ook niet. Het werd er raar pluizig van.
Met wat gel verbeterde het iets, maar het kwam niet in de buurt van de dag ervoor.

Met tegenzin ging ik naar school.

Toen ik daar na 10 kilometer fietsen in de spiegel keek, dacht ik: waarom zit het bij mij nou niet meteen goed?!

Vierenveertig was ik, en beginnend ondernemer. Met rode wangen van inspanning schreef ik een tekst voor een advertentie.

Tijdens een netwerkontbijt had een collega ondernemer gevraagd of ik belangstelling had voor een advertentie in een wijkmagazine.

Dat leek me wel wat. Via een advertentie zou ik wel honderden mensen tegelijk kunnen bereiken. Ideaal!

Met een hoofd vol verwachtingen stuurde ik mijn tekst en foto op.

Het magazine kwam uit tijdens mijn vakantie. Dat ik geen berichten of telefoontjes kreeg, drong nog niet zo tot me door.

Ook na de vakantie gebeurde er niets.

Twee weken later dacht ik teleurgesteld: waarom reageert er nou helemaal niemand?!

Nu weet ik dat vooral mijn verwachtingen maken dat ik teleurgesteld raak over iets dat ik uitprobeer.

Door mijn verwachtingen vul ik al in hoe het resultaat moet zijn. Net zulke krullen als mijn vriendin. Of nieuwe cliënten door een advertentie. Maar zo werkt het niet. Succes kan je niet afdwingen.

Zonder al mijn verwachtingen, kijk ik er anders naar. Dan zie ik: een advertentie plaatsen in dat magazine werkt dus niet voor mij. Prima, ook weer geleerd. Op naar het volgende om te proberen.

Dezelfde krullen als mijn vriendin, dat is natuurlijk een illusie. Mijn haar is niet haar haar, dus hoe kan het resultaat dan hetzelfde zijn? Vergelijken is niet slim.

Die krullen heb ik wel jaren gehad. Het ongemak van het steeds opnieuw in model brengen, nam ik voor lief.
Omdat ik de jongen, waar ik stiekem verliefd op was, eens hoorde zeggen dat hij ‘krullen zo stoer vond’.

Dit blog is gemaakt als bijdrage aan de Kommaarop van Agnes Swart en Tessa Wiegerinck van februari 2016.